FITTE SCHOOL

 Methodiek ... projectomschrijving : Fitte School: Hoe begin je eraan?

3. Een geïntegreerd voedings- en bewegingsbeleid op school: wat is dat?

Vanuit de algemene methodiek van gezondheidsbevordering en het Gezonde Schoolmodel betekent een geïntegreerd voedings- en bewegingsbeleid op school:

3.1. Educatie

3.1.1. Leerinhouden

  • Voor een effectieve voedings- en bewegingseducatie zijn er voldoende inspanningen nodig om leerlingen bewust te maken. Over het algemeen overschatten jonge mensen hun ‘gezond gedrag’. Centraal hierin is de confrontatie van de leerlingen met hun eigen voedings- en beweeggedrag. De leerkracht kan hierbij ook gebruik maken van bestaande gezondheidstests (mijn actieve voedingsdriehoek, vet- en bewegingsadvies op maat, vochttest, groenten- en fruittest, Coopertest, ...). De gezondheidstests kunnen zowel de bewustwording van hun eigen houding, ‘zelfeffectiviteit’ en contextfactoren stimuleren. Een klasgesprek of stellingenspel kan duidelijk maken welke sociale normen en meningen leven binnen de leeftijdsgroep, bij de ouders, ... De vorderingen van de leerlingen kunnen bijgehouden en eventueel gehanteerd worden als een leerlingvolgsysteem.
  • Om het gedrag van de leerling te veranderen is het nodig dat kinderen en jongeren het belang van een goed voedings- en beweeggedrag inzien. Ze moeten dus weten wat een gezond voedings- en beweeggedrag inhoudt = kennis. Het voorlichtingsmodel van de actieve voedingsdriehoek is hiervoor de basis.
  • Voedings- en bewegingseducatie moet ook (technische) vaardigheden aanbrengen die betrekking hebben op het samenstellen en (creatief) koken van maaltijden en op het correct uitvoeren van bewegingsoefeningen en sporten. Hier horen ook vaardigheden zoals het correct kunnen lezen van een etiket en het opzoeken van bewegings- en sportinitiatieven bij.
  • Ook aandacht voor de context is nodig: de socio-culturele betekenis van voeding en beweging. Zowel de sociale functie van eten en bewegen als de heersende sociale normen (bijvoorbeeld in de media) en de verschillen tussen culturen ten aanzien van voeding en beweging worden hierin meegenomen.
  • Een behoud van gedrag houdt tenslotte ook in dat de kinderen en jongeren een aantal sociale vaardigheden en attitudes meekrijgen. Die vaardigheden en attitudes zijn erop gericht zijn om een bewuste leefstijl mee te geven. Aandacht hebben en bewust kiezen voor gezond eten en voldoende bewegen en sporten staan hierin centraal.

3.1.2. Aandachtspunten didactiek

  • We mogen het belang van gezondheidsoverwegingen bij kinderen en jongeren niet overschatten. Gezondheidsmotieven wegen vaak niet zwaar door bij het kiezen voor een bepaalde leefstijl. Willen we hen overtuigen om evenwichtiger te eten en meer te bewegen en te sporten dan zullen we in onze motivatie ook redenen moeten aanhalen zoals er goed uitzien, plezier hebben en gemakkelijk vrienden maken. De specifieke motivatie bij kinderen en jongeren wordt sterk bepaald door de leeftijd en het geslacht.
  • Niet zozeer het gedrag, maar de factoren die het gedrag bepalen van de leerling, de peer group en de omgeving moeten aansturing geven aan de invulling van de educatie en acties rond voeding en beweging. Dat kinderen en jongeren ongezond eten kan zowel te maken hebben met een gebrek aan kennis van wat gezond is als met de attitudes binnen het thuismilieu. Dat kinderen en jongeren te weinig bewegen en sporten kan zowel liggen aan de onzekerheid over het eigen kunnen als aan het tekort aan open ruimte in de grootstad.
  • Negatieve gezondheidsboodschappen en een vermanende toon worden best vermeden. Ze roepen vaak weerstanden op en lokken niet-gewenst gedrag uit. Bij positieve boodschappen ligt de klemtoon op de voordelen en de winst van ‘gezond’ eten en voldoende bewegen. Hiervoor is in het bijzonder aandacht nodig bij competitiegerichte activiteiten.
  • Bij de uitbouw van de educatie op school moetende verschillende leerinhouden voldoende op mekaar afgestemd zijn en in de juiste verhoudingen aan bod komen: naast kennisoverdracht ook voldoende aandacht hebben voor het overbrengen van noodzakelijke vaardigheden en het aansturen van juiste attitudes.
  • Voeding en beweging zijn thema’s bij uitstek om leerinhouden over te brengen via praktijkervaringen en doeactiviteiten.
  • Conform de eindtermen en ontwikkelingsdoelen zijn binnen de school voor de voedings- en bewegingseducatie leerlijnen nodig zodat een curriculumopbouw en de nodige garanties voor ‘interiorisatie’ bij de leerlingen mogelijk zijn. Een voorbeeld is de organisatie van het zwemonderwijs in het basisonderwijs (van watergewenning tot kunnen zwemmen).
  • In de gezondheidseducatie en -acties moeten we rekening houden met de verschillende invloedssferen (thuis, vrije tijd, media, ...) waardoor leerlingen beïnvloed en bepaald worden. Werken we rond gezonde voeding, dan moeten we bijvoorbeeld uitdrukkelijk rekening houden met het aspect kansarmoede.

3.1.3. Verschillende organisatievormen

Voedings- en bewegingseducatie komt op verschillende momenten tijdens de schooldag en in verschillende vormen aan bod.

  • De les L.O. vormt een geschikte gelegenheid om ‘beweging en sport’ te linken aan voedingseducatie (bijvoorbeeld: leerboodschappen omtrent het drinken van voldoende water). In de les L.O. dient ook gezocht te worden naar een maximale bewegingsactieve invulling van de lestijd voor alle leerlingen.
  • In verschillende vakken kunnen de leerinhouden met betrekking tot voeding en beweging vakoverschrijdend aan bod komen doorheen het schooljaar. Voor de programmaopbouw van deze leerinhouden zijn afspraken nodig binnen het schoolteam en dienen alle leerkrachten betrokken te worden (i.e. voor de uitbouw van leerlijnen en een spiraalcurriculum).
  • Binnen een bepaalde tijdsperiode (week, maand, trimester, ...) kan binnen de klas (BaO) of binnen één of enkele vakken (SO) door één (of soms enkele) leerkracht(en) een lesprogramma rond voeding en beweging afgewerkt worden (bijvoorbeeld lessenreeks bewegingsopvoeding).
  • Tijdens de schooldag worden binnen de klas tussen de lestijden enkele minuten voorzien voor bewegingstussendoortjes of het eten van een stuk fruit gekoppeld aan een korte instructie.
  • De leerlingen van één of meerdere klassen werken gedurende een dag of week aan een project rond gezonde voeding en beweging in verschillende lessen.
  • De school maakt gebruik van externe deskundigen (bijvoorbeeld diëtist, kinesist, ...) om in een klas of op verplaatsing (bijvoorbeeld in sportclub, in leerkeuken) één of meerdere gastlessen te geven.
  • De school organiseert schoolactiviteiten binnen (bijvoorbeeld bezoek aan voedingsbedrijf, gezond ontbijt, ...) en buiten de lesuren (bijvoorbeeld middagsport, naschoolse sportactiviteiten, ...).


Naar boven 

3.2. Structurele maatregelen

3.2.1. Aanbod van voeding

Een schoolbeleid rond het aanbod van voeding bevat volgende onderdelen:

  • Aandacht voor een ‘gezond’ weekmenu of een evenwichtige keuze van schoolmaaltijden
  • Permanente beschikbaarheid van gratis (leiding)water en het promoten ervan bij leerlingen en personeel.
  • (Her)oriëntering van het aanbod van dranken met nadruk op een aanbod van ‘gezonde’ alternatieven voor frisdrank (water, melkdranken en fruitsappen).
  • Een aanbod van vers fruit, yoghurt en vetarme koeken als tussendoortjes in plaats van vetrijke chocoladekoeken e.d.

Concrete aandachtspunten in de school zijn:

Schoolmaaltijden:

  • Als de school een aanbod van warme schoolmaaltijden heeft, bekijk dan het weekmenu. Een bevraging bij leerlingen en personeel kunnen een beeld geven wat de bevindingen of eventuele knelpunten zijn. Heel wat scholen bestellen hun maaltijden bij een cateraar met regionale keuken, eventuele bijsturingen moeten vaak op het bovenschoolse niveau opgenomen worden.
  • Serveert de school broodjes, dan kan een aanbod van bruine broodjes of boterhammen met mager beleg en groenten gepromoot worden.
  • Voor de leerlingen die hun brooddoos van thuis meebrengen kan soep of melk voorzien worden.
  • De ‘gezonde’ refter heeft niet enkel een evenwichtig voedingsaanbod, maar besteedt ook extra aandacht aan hygiëne en het welbevinden van zijn gebruikers.

Vijf tips voor een ‘gezonde’ refter

  • Een evenwichtig aanbod van warme schoolmaaltijden of brood (bruin brood met groenten).
  • Leg het evenwichtige aanbod, de ‘gezonde’ producten vooraan en promoot ze extra.
  • Soep is beschikbaar voor de ‘broodeters’.
  • Gratis water op de tafels. Er is ook halfvolle melk (goedkoop of gratis).
  • Let op propere borden, een zuiver bestek, nette tafels en stoelen en een zuivere vloer.
  • In een rustige en sfeervolle ruimte - eventueel met een beetje muziek op de achtergrond - eet je veel smakelijker dan in een rumoerige en overvolle refter.
  • Voorzie voldoende ‘maal-tijd’ voor de leerlingen en het personeel.


Een permanente beschikbaarheid van water vereist aandacht voor de nodige voorzieningen en integratie.

  • Er dient gekeken te worden of er voldoende (in verhouding tot het leerlingenaantal) watervoorzieningen beschikbaar zijn en of deze aangepast zijn (plaatsing, hygiëne, hoogte, ...) aan de leerlingenpopulatie.
  • De permanente bereikbaarheid van water voor de leerlingen dient voldoende aandacht te krijgen binnen de schoolpraktijk en klasorganisatie: hoe gemakkelijk, wanneer, ... kunnen leerlingen gebruik maken van het aanbod gratis water; staan er ’s middags in de refter kannen water op tafel; hebben leerlingen de mogelijkheid om tijdens de lessen water te drinken, ...?

Het aanbod van dranken en tussendoortjes: aanpak op schoolniveau met de nadruk op:

  • In de basisschool is het geven van schoolmelk een belangrijke interventie om kinderen dagelijks melk te laten drinken. Ondanks de grote weerstanden bij jongeren kunnen secundaire scholen dit promoten door bijvoorbeeld bussen melk (bij voorkeur fris opgeslagen) in de eetzaal op tafel te zetten of een gevarieerd aanbod melkdranken (eventueel gesuikerde drinkyoghurts en dergelijke) te voorzien.
  • Wekelijks een stuk fruit voor elke leerling (bijvoorbeeld via een Schoolfruitproject), of afspraken maken met de ouders om op bepaalde dagen fruit in de boekentas mee te geven is een belangrijke stimulans om kinderen en jongeren fruit te leren eten.
  • Diversificatie van het aanbod (gezonde) alternatieven met aandacht voor water en melkdranken en voor vers fruit en vetarme tussendoortjes. Het schoolwinkeltje of eventuele drankautomaten worden gezonder gevuld (d.w.z. meer water, energiearmere dranken en melk).
  • Variatie is een kritische factor binnen ‘gezond eten en drinken’. Water en melk komen saai over bij de doelgroep jongeren, daarom is het verstandig om af en toe eens af te wisselen met bijvoorbeeld chocomelk, fruitsap, fruitmelkdrank. Deze dranken genieten niet de voorkeur voor continu gebruik maar zijn betere alternatieven voor gesuikerde frisdranken.
  • Beperkende maatregelen (vanuit de school!) naar het eventuele ‘ongezonde’ aanbod (bijvoorbeeld: tijd dat automaten beschikbaar zijn beperken, prijsverhoging frisdrank en vetrijke tussendoortjes, ...).
  • Hou bij de werking rond een evenwichtig aanbod van voeding, dranken en tussendoortjes op school rekening met alle verdeelpunten: de refter, het schoolwinkeltje, de automaat, de waterfonteintjes,...
  • Maak in de basisschool voldoende ruimte vrij tijdens de speeltijden of organiseer vaste momenten tijdens de schooldag waarop kinderen gezamenlijk water of melk drinken of een stuk fruit eten.


Naar boven 


3.2.2. Bewegingsmogelijkheden op school

Een beweeg- en schoolsportprogramma op school richt zich tot alle leerlingen en voorziet:

  • De uitbouw van een bewegingsrijke omgeving in de klas en op school.
  • De organisatie van bewegingsmomenten tijdens en tussen de lessen.
  • Het stimuleren en aanbieden van spel- en sportactiviteiten tijdens de speeltijden en de middagpauze.
  • Naschoolse spel- en sportinitiatieven (op woensdagnamiddag, vrijdagavond, ...) opzetten.

Concrete aandachtspunten binnen de school zijn:

Naast de nodige aandacht binnen de les L.O. en de overige vakken, kunnen ook de klas en het schoolgebouw ‘bewegingsactief’ worden ingevuld.

  • Een bewegingstimulerend klaslokaal is gericht op het meer dynamisch maken van het zitten. Dynamisch zitten en de zitactiviteiten zoveel mogelijk onderbreken zijn mogelijk met ergonomisch zitmeubilair. Zo kunnen tijdens de schooldag in de klas zitballen gebruikt worden gedurende een bepaalde tijdsperiode
  • In het schoolgebouw kan bijvoorbeeld het gebruik van de trap (in plaats van de lift) gestimuleerd worden.

Ook tijdens of tussen andere lessen kunnen korte bewegingsmomenten ingelast worden.

  • Naast de mogelijkheid om binnen bijvoorbeeld het leergebied wereldoriëntatie een bewegingsrijke aanpak te integreren, bieden programma’s zoals ’Beweegklas’ een programma van korte beweegmomenten aan die doorheen de schooldag kunnen uitgevoerd worden.
  • Voor de activiteiten mogen de beperkte ruimte en zeer korte tijdsduur niet uit het oog worden verloren. Beweegmomenten vragen een matige inspanning zodat alle leerlingen zich aangesproken voelen, ze bestaan uit rustige oefeningen die de concentratie van de leerlingen achteraf bevorderen.
  • Leerkrachten dienen afspraken te maken rond de afstemming van de beweegmomenten en de ruimte die hiervoor in de dagindeling kan vrijgemaakt worden.
  • Binnen het team is hiervoor een vakkundige begeleiding nodig via bijvoorbeeld nascholing.

Om spel- en sportactiviteiten tijdens de pauzes en middagbreak te stimuleren heeft de speelplaats een bewegingsvriendelijke inrichting nodig.

  • De plaatsing van speeltuigen, het verven van grenslijnen, de aanwezigheid van spelkoffers of het plaatsen van basketballpalen, een volleybalnet of voetbalgoals zijn mogelijkheden om een ‘actieve speelplaats’ uit te bouwen.
  • Dit dient - zeker in een beginperiode - samen te gaan met het sensibiliseren van leerlingen en een actieve begeleiding door opvoeders of leerkrachten. Voor de organisatie en begeleiding van de middagsport kan ook beroep gedaan worden op externe partners zoals SVS, de sportfederaties, de lokale sportclub, de gemeente, ...

Een beweegbeleid dat naschoolse spel- en sportactiviteiten wil stimuleren dient aandacht te hebben voor:

  • Een ruim aanbod van competitieve en recreatieve activiteiten die een brede leerlingenpopulatie aanspreken, ook de leerling die niet sportief is of geen sport wil beoefenen.
  • Naast de beschikbaarheid van de nodige sportinfrastructuur en de aanwezigheid van spel- en sportmaterialen is ook een vakkundige begeleiding van cruciaal belang. Binnen de school dient gekeken te worden hoe deze begeleiding binnen het team, eventueel met de medewerking van de oudere leerlingen of ouders kan georganiseerd worden. Ook hier is een samenwerking met externe partners (SVS, de plaatselijke sportdienst, ...) mogelijk.


Naar boven 


3.2.3. Bewegingsmogelijkheden buiten de school

Het stimuleren van beweging buiten de school houdt in dat:

Concrete aandachtspunten binnen de werking rond bewegingsmogelijkheden buiten de school:

Spoor leerlingen aan om te voet of met de fiets naar school te komen.

  • In de basisschool wordt binnen de verkeersopvoeding voldoende aandacht besteed aan fietsbehendigheid.
  • De school zoekt actief naar extra muros-activiteiten (bijvoorbeeld schoolzwemmen) en uitstappen (bijvoorbeeld naar aanleiding van onthaaldagen) waarbij de leerlingen zich te voet of met de fiets kunnen verplaatsen.
  • In de school wordt een overdekte fietsenstalling voorzien waar het veilig is om je fiets te plaatsen.
  • De verkeersomgeving rond de school is sterk bepalend voor het aantal leerlingen dat te voet of met de fiets naar school komt. We kunnen als school deze omgeving beïnvloeden. Zo kunnen er met de ouders afspraken gemaakt worden rond het stilstaan en parkeren bij het afzetten/ophalen van de kinderen. Samen met de leerlingenraad kan een systeem van verkeersbrigadiers worden uitgewerkt voor tijdens de ‘spitsuren’. Eventueel kan er toezicht van de politie op bepaalde tijdstippen komen. In een gesprek met de gemeente kan gevraagd worden om de onmiddellijke schoolbuurt veiliger te maken met bijvoorbeeld een extra zebrapad of een verkeersdrempel.
  • Vanuit de school kunnen ‘walking school busses’ of ‘fietspoolen’ georganiseerd worden. Leerkrachten of ouders kunnen een groep kinderen die te voet of met de fiets naar school komt begeleiden. En meteen geven ze het goede voorbeeld.

Vanuit de school wordt op verschillende manieren aansluiting gezocht met buitenschoolse spel- en sportmogelijkheden.

  • Centraal binnen het enthousiast maken van leerlingen voor buitenschoolse spel- en sportactiviteiten zijn de afspraken die de school maakt met de lokale jeugdbeweging en sportclubs. De sportraad van de gemeente beschikt vaak over een specifiek aanbod voor scholen.
  • De school maak leerlingen warm voor een georganiseerde vorm van vrijetijdsbeleving. Zo kan de school een ‘sportkaart’ in het leven roepen waarmee leerlingen voor een bepaalde prijs aan een spel- of sportactiviteit van een externe organisatie kunnen deelnemen.
  • Jeugdbewegingen en lokale sportverenigingen krijgen communicatiemogelijkheden binnen de school (bijvoorbeeld: meegeven van motiverende brief aan de kinderen).
  • Organisaties kunnen binnen de school lokalen gebruiken (bijvoorbeeld vergaderlokaal voor jeugdbeweging, sportzaal voor lokale sportclub, ..). In ruil maken ze o.a. de deelname aan de activiteiten voor de leerlingen van de school zeer laagdrempelig (bijvoorbeeld door sterke korting op inschrijvingsgeld, gratis initiaties, ...).


Naar boven 


3.3. Reglementering

Met behulp van afspraken en een reglementering kan de school invloed uitoefenen op het gedrag van de leerlingen (en het personeel en de bezoekers).

  • Er kunnen met de leerlingen (vooral in het basisonderwijs) afspraken gemaakt worden in verband met snoep op school. Zo kan er bijvoorbeeld afgesproken worden dat er als tussendoortje enkel ‘droge’ koeken of fruit mee naar school mogen gebracht worden of dat traktaties met verjaardagen niet uit snoep mogen bestaan.
  • Ook het gebruik van dranken op school kan in de reglementering: wanneer en voor welke gelegenheden er bijvoorbeeld frisdrank mag meegebracht of gedronken worden.
  • Afspraken met de leerlingen rond het gebruik van de sportinfrastructuur en speelplaats na de schooltijd zijn mogelijk. Is het mogelijk en zijn er bijvoorbeeld afspraken gemaakt onder welke voorwaarden leerlingen tijdens de middag of op woensdagnamiddag in de turnzaal kunnen voetballen?

Bij het maken van afspraken en het opstellen van reglementering verdienen volgende items zeker aandacht:

  • Naast de eigenlijke afspraak zijn er ook procedures en opvolging nodig. Als we afspreken om binnen de school bijvoorbeeld enkel ‘gezonde’ tussendoortjes (vetarme koeken en fruit) van thuis mee te brengen, dan dient hierop toezicht gehouden te worden. Bij overtreding worden de leerlingen (of in dit geval ook de ouders) hierop aangesproken.
  • Een goede communicatie rond de afspraken en regels is noodzakelijk om draagvlak binnen het team, onder de leerlingen en bij de ouders te verwerven. Enkel op die manier maken de afspraken en regels kans om ook echt opgevolgd te worden.
  • De voorbeeldfunctie van het personeel is voor de navolging en overlevingskans van afspraken cruciaal. Afspraken en regels worden pas geloofwaardig als ook het personeel er naar handelt. De leerling enkel toestaan om voor verjaardagen iets ‘gezonds’ mee te brengen, kan enkel als het binnen het team voor verjaardagen niet wemelt van snoep, pralines of taart.


Naar boven 


Terug naar overzicht / vorige pagina / volgende pagina